Nederlands  |  English  |  Français  |  Deutsch

Voorwoord

Galeriehouder Project 2.0, Coen van den OeverNa eerdere tentoonstellingen - over Papoea en over Cambodja/Myanmar - is Jos van den Berg in 2008 weer present, dit keer met schilderijen van maskers. Jos is een verfbeest en gaat zijn eigen weg, gebiologeerd door verre culturen. Van zijn reizen neemt hij verre werelden mee in zijn kop en interpreteert ze in verf.

Ook deze keer laat hij een serie interessante doeken van maskers zien. Zijn invalshoek is elke keer verschillend, net zoals de technieken die hij hanteert. Bij het ophangen van de doeken, voel je de kilo's verf die verstopt zitten onder de afbeeldingen. Dit betekent dat hij niet zomaar losjes wat wegschildert, maar dat hij vecht met de materie om precies dat beeld-in-zijn-kop op het doek te krijgen.

De serie maskers 2008 is verrassend voor de toeschouwer. Ik hoop dat u van deze website en van de tentoonstelling zult genieten.

Coen van den Oever,
Galeriehouder Project 2.0

Bekijk alle kunstwerken van de expositie Maskers 2008

 

Maskers

Het onderwerp maskers in de kunst is niet nieuw. Beeldend kunstenaars als Matisse, Picasso en Miro, maar ook de dichter André Breton en vele anderen vonden hun inspiratie bij de maskers en beelden uit Afrikaanse landen en Oceanië. Picasso's kubistische meesterwerk De meisjes van Avignon (1906) is rechtstreeks ontleend aan de vormentaal van Afrika. Al aan het eind van de 19e eeuw werd in de Europese hoofdsteden Parijs, Brussel, Londen en Berlijn - vanwege hun relaties met de koloniën en Oceanië - druk gehandeld in etnografica*. Beelden, maskers en schilden vonden hun weg naar musea en verzamelaars. Maar vooral ook kunstenaars waren geobsedeerd door de krachtige vormen en beeldentaal. Op menig oude atelierfoto zijn ze afgebeeld.

Jos van den Berg
Jos van den Berg

 

Andre Breton
André Breton, Rue Fontaine 42, Paris

 

Pablo Picasso Avignon
Picasso, Meisjes van Avignon

 

Maskers van Indonesie
Maskers van Indonesië,
verzameld door Jos van den Berg

 

Masks

 

 

 

Tijdens zijn reizen in Zuidoost Azië -en in het bijzonder in de Indonesische archipel- heeft Jos van den Berg etnografica verzameld. Een collectie, die ondermeer voorouderbeelden, gebruiksvoorwerpen, maskers en schilden omvat. In 2004 schilderde hij al eens doeken met als onderwerp de warshields van het natuurvolk de Citak, dat nog dicht tegen het stenen tijdperk aan leeft in de binnenlanden van Papua. Ook de ladders van de tientallen meters hoge boomhutten van de Korowai in praktisch hetzelfde gebied zette hij als eens in de verf.

De maskers die hij heeft verzameld komen uit verschillende streken in Indonesië. Zo zijn er de spectaculaire Hudocq oogstmaskers van de Kenya uit Kalimantan, maskers van de wrede Batak uit Sumatra, vrolijke dansmaskers (topeng) van Lombok, angstaanjagende maskers van Timor en aandoenlijke boombastmaskers uit het Sepik gebied in Papoea Nieuw-Guinea. In de afgelopen jaren schilderde hij al eens doeken, waarop een masker een dominante dan wel ondergeschikte rol inneemt.

Maskers worden voor tal van ceremonies en rituelen gebruikt: bij het planten en oogsten van de rijst, ter afschrikking van demonen en geesten, bij huwelijken en begrafenissen, bij dansvoorstellingen en vrolijke vertellingen. Er zijn maskers met afschrikwekkende tandenrijen en bolle ogen, er zijn zachtmoedige maskers om de kinderen gerust te stellen, er zijn maskers om indruk te maken, maskers die flirten met de meisjes en er zijn clowneske.

Jos schildert maskers niet precies na. Hij interpreteert, plaatst ze in een context met de kleur van een achterwand, laat ze vervloeien in het doek. Hij probeert de sfeer van een masker neer te zetten, zonder dwingend te zijn. Geen vulkanen of palmbomen, geen kampongs, zandstranden of heroïsche gebeurtenissen. Sommige maskers ontberen strakke lijnen; de ogen en mond moeten het maar zien uit te vechten in het doek. Het gaat zoals het gaat. Het ene masker is ruw op het doek gezet met paletmes in dikke lagen en met harde inkrassingen in de verfhuid, het ander subtieler gepenseeld.

Twee maskers van Sepik krijgen een lijfje en vormen nu een dubbelportret als ware het een bruidspaar. De karakteristieke punten van de Sepik maskers zie je terug op het doek waarin hij schijnbaar de kop van saxofonist Boris van der Lek laat fungeren. Het kinderlijke, brede zonnemasker met de gouden wangen is een feestje. Een korwar met de kenmerkende brede neusvleugels wordt verstild of uitbundig neergezet. Net zoals zijn bui is en de beleving met de maskers. Het Balimasker houdt niks meer dan het mystieke blauw over, de bolle ogen en witte tanden als uitdagende prikkels. Vier maskers van Timor grijnzen de kijker aan. Jos boetseert met materie in verschillende technieken en poogt de essentie van het masker uit een bepaald gebied overeind te houden. Een beetje stout is het vlinderdasje onder het Timor masker, ineens wordt het een barse directeur. Het intens zwarte masker is dan weer een stuk vriendelijker. Net zoals de twee maskers in een vrolijke setting joyeus worden.

Waarom Maskers?

Waarom niet gewoon de koppen van de mensen die hij tegenkomt in afgelegen gebieden? Waarom niet gewoon die Papoea's met beschilderende koppen en doorboorde neusschotten, die tegen het licht prachtige silhouetten vormen? Die aardige koppies van kinderen, die je uitzwaaien op afgelegen strandjes in de Molukken? De spectaculair getatoeëerde koppen van de Dajakkers in de binnenlanden van Kalimantan, of hun vrouwen met uitgerekte oorlellen? De trotse krijgers van Nias?

Omdat maskers een sublimatie zijn van hun cultuur. Een schepje bovenop de menselijke verschijning, extravagant, bizar, krachten afdwingend. Verheven boven alledag. Zoals Jos van den Berg ze schildert in de dikke verf, krijgen ze een mystieke levendigheid, zijn het geen starre stukken bewerkt hout, die bij de eerste eigenaars in sacrale ruimten worden bewaard, of bij de huidge eigenaars aan de muur hangen als decoratie in een modern interieur. Ze leven hun eigen leven in de verf.

De beschouwer mag erin ziet wat hij wil, mag wegdromen naar de gebieden waar ze zijn gebruikt, mag de warme avonden en zwoele nachten voelen waarin de maskers zijn gedragen. De maskers representeren vaak krachtige voorouders, die demonen en kwade geesten buiten de deur moeten zien te houden.

De schilderijen zijn niet alle zo lieflijk. Dat zijn maskers vaak ook niet. Jos probeert de intensiteit van het gebruik in combinatie met de vorm uit te beelden. Magie speelt een voorname rol. De magie van volken die in een overweldigende natuur leven, met animistische geloofskenmerken, ook als beschikken ze tegenwoordig over een tv met paraboolantenne. Kinderen gaan naar school, ranke prauwen zijn uitgerust zijn met krachtige buitenboordmotoren. Wanneer de nacht evenwel valt en de dieselgenerator stopt met de energievoorziening, is het aardeduister. Wordt het stil op de geluiden van het bos na. Het woud, de lucht en het water krijgen betekenis. Is er ontzag voor de natuur, de voorouders en de geesten. Angst voor de vijand. Maskers hebben dan hun belangrijke rol. Ze liggen op de heilige plek in het huis, zijn opgehangen onder het grasdak of aan de deurpost, of lijken achteloos verstopt in de hoek van de hut. Men weet dat ze er zijn. Wordt er door bescherm en met put er kracht uit. Het zijn de totem van hun bestaan.

 


 

Etnografica, primitieve kunst of tribal art?

Binnen de culturele antropologie -na de tweede wereldoorlog de gangbare Nederlandse benaming van de tak van wetenschap die voordien werd aangeduid als volkenkunde- wordt etnografica gezien als de uiting van vorm en kleur van etnische groepen. Etnografica is ook de door verzamelaars en handelaars gebruikte verzamelnaam voor objecten die afkomstig zijn van tribale culturen in Oceanië, Azië, Amerika en Afrika. Oermensen onder de evenaar koesteren hun maskers, wapens, schilden en gebruiksvoorwerpen met de rituele versieringen. Vaak sterk van vorm en kleur: zuivere etnografica. Primitieve kunst is in feite een denigrerende omschrijving: de makers hebben hun objecten niet vervaardigd als kunstvorm, maar louter als gebruiksvoorwerp, al dan niet voorzien van decoraties. In de ogen van westerlingen vond men de makers ‘maar' primitief, thans volkomen achterhaald. Nu is het wel zo dat de ene maker begaafder is dan de ander, wat de maker grote aanzien kan verschaffen binnen de stam. Tribal art is zeker geen onjuiste term wanneer je in ogenschouw neemt dat de uitingen van de stam -de tribe- een bijzondere, kunstzinnige vormentaal heeft. Het in Frankrijk uitgegeven, fraaie tijdschrift over het onderwerp heet terecht Tribal Art.